In column 18 hebben we gesproken over het woordaccent en de plaats ervan bij meerlettergrepige woorden.
We hebben toen geconstateerd dat de Germaanse talen, waaronder het Nederlands en het Limburgs (en dus ook het Sittards) een overwegendbeginaccenthebben (een initiaalaccent) . Talen zoals het Frans hebben daarentegen een voorkeur voor eeneindaccent (een finaalaccent).
Het is daarom niet verwonderlijk dat dit beginaccent een belangrijke rol speelt bij het woordgebruik. Dit nu is in bijzondere mate het geval alsbeklemtoonde woorden/lettergrepenvan twee (of meer woorden) metdezelfde medeklinker(-s)beginnen. Dit is overigens een taalverschijnsel dat veel vaker voorkomt dan algemeen gedacht wordt.
We noemen er een aantal: door d iken d un ; l ief en l eed / l eif en l eid; met m an en m acht; voor d ag en d auw / veur d aag en d auw; k ind noch k raai (waarbij 'kraai' een verbastering is van 'crade', dat familie betekent); p aal en p erk stellen; kr acht naar kr uis; met m an en m acht; óf zoals in de reclame: met m elk meer mans, óf in een naam: Villa Z on en Z ee.
Een dergelijk stijlverschijnsel wordt wel alliteratie, stafrijm, Germaans rijm of begin(-letter)rijm genoemd. Maar ook zonder deze begrippen te kennen, kunnen we gemakkelijk met deze typische eigenschap spelen.
Wie van ons kent niet het oude versje:
L ientje l eerde L otje l open l angs l ange l inden l anen?
Of het bekende tekstje in het dialect:
W o w oont W ullem Wèk ? W ullem Wèk w oont w ied w eg. W aat w aef W ullem W èk? W ullem W èk w aef w itte w ol.
Het is daarom niet verwonderlijk dat auteurs graag gebruikmaken van dit stijlmiddel. En het zijn vooral dichters die met hun beknopte manier van formuleren als geen ander de bijzondere werking van de alliteratie gebruiken om hun taal een nog grotere expressiviteit te geven.
Ter illustratie hiervan heb ik teksten gekozen uit het poëtisch werk van de priester-leraar-dichter Guido Gezelle (1830-1899). Een voorbeeld uit Kerkhofblommen (1858), geschreven naar aanleiding van het overlijden van een van zijn studenten. De gekozen voorbeelden zijn uit een gedicht waarin de tocht van de boerderij naar de kerk beschreven wordt. De familie is gezeten in een huifkar met wit dekzeil, die getrokken wordt door twee paarden.
Tr aagzaam tr ekt de w itte w agen
Door de st ille st raten
En enkele regels verder:
St ap voor st ap, zo gaan de peerden,
Tr
aagzaam, tr eurig, st ille en st om (= zonder geluid)
In het gedicht Twee horsen (1897) spreekt Gezelle over twee trekpaarden, die zware paarden die we nog van vroeger kennen. Ze trekken samen een zware last en dan heet het:
Ze zw oegen, ze zw eten….
en
Ze st appen, ze st enen, ze st ijven
de stringen.
Door het herhaald gebruik bovendien van het onderwerp ze krijgt de zin een uiterst expressieve werking. De herhaling van ze kan daarbij ook nog eens gezien worden als een specifieke alliteratie. Zou men de zin lezen zonder ze, dan is de poëtische werking beduidend minder: Ze st appen, st enen en st ijven. Het ritmisch effect van de oorspronkelijke versregel is in het laatste geval vrijwel verdwenen.
En dat is nu de kracht van de dichter: expressief omgaan met de alledaagse taal om haar daardoor die extra dimensie te geven.
F.W. (april 2016)