
De eerste voorlopige cijfers sinds de jeugdzorg met een van de drie decentralisaties door het kabinet op het bordje van de gemeenten werd gedeponeerd laten zien dat bijna een kwart miljoen jongeren jeugdhulp, jeugdbescherming of jeugdreclassering krijgen.
Dat meldt het CBS. Ten opzichte van 2012 zitten er momenteel 60 procent minder jongeren in de jeugdzorg. Vergelijken van 2015 met 2012 is volgens het CBS moeilijk omdat er in 2011 en 2012 enkel jaarcijfers waren.
Vooral jeugdhulp
Op 1 januari 2015 is de Jeugdwet in werking getreden waarmee gemeenten verantwoordelijk zijn geworden voor de zorg aan jongeren. In de eerste drie maanden van dit jaar kregen, volgens de eerste voorlopige cijfers, 233 duizend jongeren gemeentelijke jeugdzorg.
Het merendeel van de geleverde zorg (85 procent) betreft jeugdhulp, waarbij jongeren en hun ouders hulp krijgen bij psychische, psychosociale en/of gedragsproblemen, een verstandelijke beperking van de jongere, of opvoedingsproblemen van de ouders. Daarnaast bestaat de jeugdzorg voor 12 procent uit jeugdbescherming en drie procent uit jeugdreclassering. Een op de tien jongeren heeft in het eerste kwartaal van 2015 meer dan een van deze vormen van jeugdzorg ontvangen.
Meer jongens dan meisjes
Veel meer jongens (140 duizend) dan meisjes (93 duizend) kregen in het eerste kwartaal jeugdzorg. Jongens hebben vaker jeugdhulp en zitten ook vaker in de jeugdreclassering. Jeugdbescherming komt bij beide geslachten ongeveer evenveel voor. Bij de jongens met jeugdzorg is het grootste deel tussen de 4 en 12 jaar oud, bij de meisjes zaten er juist wat meer 12- tot 18-jarigen in jeugdzorg.
Jeugd-ggz somber over toekomstige ontwikkelingen
Instellingen die jeugd-ggz verlenen maken zich zorgen over de continuïteit van de zorg in de rest van dit jaar en daarna. De gemeentelijke budgetten schieten mogelijk tekort en de kans op wachtlijsten is niet denkbeeldig. Voor ouders met een kind dat dringend geestelijke hulp nodig heeft is dat geen goed vooruitzicht.




