Met een prik minder en door een vaccinatie ook iets later te geven, zijn kinderen minstens zo goed beschermd tegen pneumokokken. Dat meldt het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) woensdag na onderzoek in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid.
Sinds 2006 krijgen kinderen een inenting tegen pneumokokken als ze twee, drie, vier en elf maanden oud zijn. Door slechts drie in plaats van vier prikken te geven kan een flinke som geld worden bespaard. Ook is de inenting tegen pneumokokken bij een prik minder wat minder belastend voor kinderen.
Pneumokokken, de verwekkers van de pneumokokkenziekten, kunnen bij jonge kinderen ernstige aandoeningen veroorzaken als hersenvliesontsteking en bloedvergiftiging. Vooral onder kinderen in de leeftijd van vier tot negen maanden komen de ziekten voor. Sinds de invoering van de pneumokokkenvaccinatie is de kans op deze ziekten echter fors gedaald.
Het RIVM bekeek de vaccinatieschema's van verschillende landen en onderzocht bij welke de meeste antistoffen werden aangemaakt. Dat bleek het programma te zijn waarbij op een leeftijd van drie en vijf maanden vaccinaties werden gegeven. Na de zogenoemde boostervaccinatie, de laatste prik die kinderen krijgen als ze elf maanden oud zijn die de werking van de eerste paar prikken versterkt, bleken alle programma's even goed te zijn.
Door: Novum