Op 23 mei 2014 - tijdens de Avond van de poëzie in poppodium Volt - wordt de Fritschy-Stadscultuurprijs Sittard-Geleen 2014 uitgereikt aan de dichter Huub Beurskens.
De Fritschy-Stadscultuurprijs Sittard-Geleen is in 2004 ingesteld om waardering uit te drukken voor een kunstenaar, aanvankelijk op het vlak van de multiculturalieit. De laatste twee keren ging de prijs naar een kunstenaar die op een of andere wijze een band met Limburg heeft.
De eerste vier prijzen gingen naar een beeldend kunstenaar, de volgende ontving de documentairemaker Hans Heijnen en op 23 mei wordt de prijs uitgereikt aan de dichter Huub Beurskens (Tegelen, 1950) voor zijn bundel Hotel Eden, Amsterdam, 2013
Een korte typering door Wim Ortjens sr.
"Een virtuoos. Gaat hij naar de opera in een wollen trui? Wappert zijn haar ongekamd? Vloekt hij in de kerk en strijkt hij zacht zijn viool in een kale kille kroeg? Nog meer clichés?
Zo'n stereotype zal Beurskens niet zijn. Maar een dichter is hij wel. En wat voor een ...!
Hij doet precies niet wat je denkt dat hij zal gaan doen. Geen hof maar een hotel. Geen zeventig maagden, maar een kamer met uitzicht op het kerkhof. In een strak sonnet-kader, met om-klemmend en be-klemmend eindrijm in de kwatrijnen, laat hij zien dat hij met de taal doet wat hij wil. Als jij vindt dat slaven en graven aardig op elkaar aansluiten, dan provoceert hij dat vermoeden.
Desnoods.
Maar je moet het niet bij onderstaand gedicht laten. Het is 'van vele ene'. Durf de hele bundel 'Hotel Eden' aan. Hij verrijkt je. Tilt je even op naar een onverwachte dimensie al loop je de kans dat je moeder daarvan zal zeggen: "Dat jij nog gelooft in dat gezemel." ( De afsluiting van het gedicht 'Eerste vraag'.) En dan sta je weer met beide blote voeten in het natte gras."
Hotel Eden
Was het voor God geen al te menselijke blamage
om in zijn hof een boom te planten en een wezen
zich bewust van goed noch kwaad, de wacht
aan te zeggen, wetende dat het ervan eten zou,
door de eerste schuld te geven aan diens vrouw?
Geen wonder dat de kogels fluiten dag en nacht,
dat we dol van woorden blijven dolen, kezen,
pezen, moorden in heel de zelf aangerichte ravage
waaruit we terug willen op die Plantage, als slaven
harken of als varkens wroeten desnoods, even stil
ons verworven inzicht te laven aan dat bitterzoete
en in de avondkoelte God opnieuw te ontmoeten.
Of worden we dan weer ledenpoppen zonder wil?
Liever een kamer met uitzicht, op graven desnoods.