Een in Maastricht woonachtige student, die een studie volgt in Hasselt, kan toch geen beroep doen op de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos).
De student vroeg een basis- en aanvullende toelage aan op grond van de Wtos. Die aanvraag werd afgewezen omdat hij in België onderwijs volgt. De Wtos stelt namelijk als voorwaarde dat de school in Nederland is gevestigd. Daarop stapte de student naar de rechter.
De rechtbank oordeelde dat de minister van Onderwijs onvoldoende heeft gemotiveerd dat dit niet in strijd is met het recht op vrij verkeer van Unieburgers. De minister ging vervolgens tegen die uitspraak in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Deze hoogste rechter geeft de minister nu gelijk.
Europese regels dwingen er volgens de CRvB niet toe dat Nederlandse scholieren die voortgezet onderwijs in het buitenland volgen, een Nederlandse toelage moeten krijgen. De toelage voor scholieren vanaf 18 jaar mag beperkt blijven tot zij die voortgezet onderwijs in Nederland volgen. Deze beperking is niet strijdig met EU-recht.
Dat Nederland er voor heeft gekozen wel studiefinanciering op grond van een andere wet (WSF) te verstrekken voor middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs buiten Nederland, maakt dit niet anders.