
Zwartspaarders die op 31 januari 1994 een 'aanzienlijk' tegoed hadden op een geheime Luxemburgse bankrekening, kunnen voor de periode vanaf 1993 een boete krijgen. Dat blijkt vrijdag uit een uitspraak van de Hoge Raad. De fiscus hoeft niet voor elk jaar afzonderlijk aan te tonen dat het tegoed op de rekening stond.
De Hoge Raad staat met zijn uitspraak toe dat de bewijslast wordt omgekeerd. Eerst was het de inspecteur die het spaarsaldo moest aantonen om een boete te kunnen uitdelen. Nu is het juist de belastingplichtige die moet kunnen bewijzen dat zijn saldo in andere jaren minder hoog was. Lukt dat niet overtuigend, dan kan de boete worden opgelegd.
De zaak waarin de hoogste rechter uitspraak deed draait om Nederlandse rekeninghouders die een rekening hadden bij de Luxemburgse tak van de Kredietbank. De fiscus kreeg in 2000 van zijn Belgische evenknie microfiches met deze gegevens en ging met die gegevens aan de slag.
Wie ontkende dat hij een rekening had of weigerde mee te werken aan het onderzoek kreeg alsnog een belastingaanslag voor inkomstenbelasting en vermogensbelasting. Dat gebeurde op basis van geschatte bedragen. Het aanvullend opleggen van een boete, vaak even hoog als de naheffing, kon op basis van dergelijke vermoedens tot nu toe echter niet.
Door: Novum




